Leerdoel: De leerling uit groep 8 kan in alledaagse situaties notaties met percentages, ook boven de 100%, herkennen, uitspreken en er betekenis aan geven.
- Percentages boven 100% te herkennen in het dagelijks leven
- Ze juist uit te spreken (“honderdvijftig procent”)
- Ze te begrijpen en te verklaren (Wat is er dan méér geworden? Waarmee wordt vergeleken?)
Wat betekent dit nou eigenlijk?
EEen percentage vergelijkt iets met een beginwaarde.
Veel mensen denken dat een percentage altijd tussen 0% en 100% ligt. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Als iets sterk groeit, kan het percentage ook boven de 100% uitkomen.
Belangrijk is het verschil tussen woorden zoals:
- 150% van → anderhalf keer zo groot
- 150% meer → tweeënhalf keer zo groot
- 200% van → twee keer zo groot
Het gaat dus niet alleen om rekenen, maar vooral om goed begrijpen wat de woorden betekenen.
Een percentage boven de 100% betekent dat iets meer is dan het geheel van vroeger. Je kijkt dan naar groei, winst of toename boven het oorspronkelijke niveau.
Voorbeeld:

“Het orgel is nu 150% meer waard dan toen de bouw begon.”
Wat betekent deze uitspraak?
A) De kroonluchter is nu 150% van de oorspronkelijke waarde.
B) De kroonluchter is nu 250% van de oorspronkelijke waarde.
C) De kroonluchter is nu 1,5 keer zo veel waard als eerst.
D) De kroonluchter is met 150 dukaten gestegen.
Antwoord: B
Uitleg: 150% meer betekent dat er 150% extra bijkomt bij de oorspronkelijke 100%.
Dus: 100% + 150% = 250% van de oorspronkelijke waarde. De kroonluchter is dus 2,5 keer zo veel waard geworden.
Oefenvragen
1. Een game verkoopt vorig jaar 1000 exemplaren.
Dit jaar verkoopt de game 200% van het aantal van vorig jaar.
Wat betekent dat?
A) De verkoop is gehalveerd.
B) De verkoop is twee keer zo groot als vorig jaar.
C) De verkoop is drie keer zo groot als vorig jaar.
D) De verkoop is met 200 exemplaren gestegen.
2. Een zeldzame kaart in een spel wordt steeds populairder.
De prijs is nu 150% van de oorspronkelijke prijs.
Wat betekent dat?
A) De prijs is twee keer zo groot geworden.
B) De prijs is anderhalf keer zo groot geworden.
C) De prijs is drie keer zo groot geworden.
D) De prijs is met 150 euro gestegen.
3. Een festival verkoopt veel meer kaarten dan vorig jaar.
De verkoop is 250% meer.
Wat betekent dit?
A) Er zijn drieënhalf keer zoveel kaarten verkocht.
B) Er zijn twee keer zoveel kaarten verkocht.
C) Er zijn drie keer zoveel kaarten verkocht.
D) Er zijn 250 kaarten extra verkocht.
Antwoorden
- B – 200% van betekent twee keer zoveel.
- B – 150% van betekent anderhalf keer zoveel.
- A – 250% meer betekent drieënhalf keer zoveel.