Ga naar de inhoud

PW-05: Percentage = deel van het totaal (samen 100%)

Leerdoel: de leerling uit groep 7 begrijpt dat een percentage de verhouding aangeeft tussen een deel en het totaal en dat alle delen samen 100% vormen.

Wat betekent dit nou eigenlijk?

Een percentage laat zien hoe groot een deel is van het geheel.

  • 100% is altijd alles samen.
  • Een percentage is dus altijd een deel van die 100%.

Als je meerdere delen hebt, moeten die samen precies 100% zijn.

Is het samen 95% of 110%? Dan klopt er iets niet. Hier gaat het dus om de taal (begrijpen en redeneren), niet perse om veel rekenen.

Voorbeeldsom

In de schoolkantine kiest:

  • 60% voor een broodje kaas
  • 25% voor een tosti
  • 15% voor soep

Klopt deze verdeling?

Alle leerlingen samen vormen 100%. Als je alles optelt en je krijgt 100%, dan klopt het. Hier is dat zo. Dus het klopt.

Oefenvragen

1.

In een klas:

  • 50% is jongen
  • 45% is meisje

Wat kun je zeggen?

A) Dit kan niet, er zijn teveel meisjes
B) Dit klopt, want de docent zit ook in de klas.
C) Dit kan niet, er is 5% te weinig.
D) Dit kan niet, er zijn teveel jongens


2.

Een enquête zegt:

  • 30% kiest A
  • 30% kiest B
  • 30% kiest C

Wat weet je zeker?

A) Dit kan.
B) Er ontbreekt 10%.
C) Het is samen 100%.
D) Het is samen 110%.


3.

Een winkel zegt:
“100% korting!”

Wat betekent dit?

A) Je betaalt alles.
B) Je betaalt niets.
C) Je betaalt de helft.
D) Je krijgt 100 euro.


4.

Iemand zegt:
“Als 80% geslaagd is, dan is 30% gezakt.”

Wat klopt?

A) Dat klopt.
B) Dat kan niet, want samen is het meer dan 100%.
C) Dat klopt alleen bij kleine groepen.
D) Dat kun je niet weten.


5.

Een taart is 100%.
Er is 40% opgegeten.

Wat kun je zeggen?

A) Meer dan de helft is weg.
B) Minder dan de helft is weg.
C) Alles is weg.
D) Er is nog 40% over.


6.

Iemand zegt:
“10% is hetzelfde als 1 op 10.”

Wat vind je?

A) Dat klopt.
B) Dat klopt niet.
C) Dat kan alleen bij geld.
D) Dat kun je niet weten.


Antwoorden met korte uitleg

  1. C – 50% jongens + 45 procent meisjes = 95%, er mist 5% ( je weet niet of het jongen of meisje is)
  2. B – 30 + 30 + 30 = 90%, er mist 10%.
  3. B – 100% korting betekent dat de hele prijs eraf gaat.
  4. B – 80 + 30 = 110%, dat kan niet.
  5. B – 40% is minder dan 50%, dus minder dan de helft.
  6. A – 10% betekent 10 van de 100 = 1/10.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *