Leerdoel: de leerling uit groep 7 kan verschillende notaties voor het weergeven van verhoudingen in alledaagse situaties herkennen (zoals breuken, percentages en schaalnotaties) en begrijpt dat deze schrijfwijzen dezelfde betekenis kunnen hebben.
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Soms wordt dezelfde verhouding op verschillende manieren opgeschreven.
Bijvoorbeeld:
- 1 op de 4
- 1/4
- 25%
Dat lijkt anders… maar het betekent precies hetzelfde!
Een breuk laat zien hoeveel delen je hebt.
Een percentage betekent: van de 100.
Een schaal (bijvoorbeeld 1:4) laat zien hoe iets zich verhoudt tot iets anders.
Het is dus belangrijk dat je herkent:
“Dit ziet er anders uit, maar het betekent hetzelfde.”
Voorbeeldsom

Een leerling bouwt een model van een kasteel. De schaal is 1 : 100. Dat betekent:
1 cm op het model is 100 cm in het echt. Dit is de verhouding. 1 : 100.
Hoe schrijf je dit als procent = 1/100 = 1%
Oefenvragen
1. Welke schrijfwijzen betekenen hetzelfde?
A) 1/2 – 50% – 1 op 2
B) 1/2 – 25% – 1 op 4
C) 1/2 – 20% – 1 op 5
D) 1/2 – 10% – 1 op 10
2. 25% betekent hetzelfde als:
A) 1/25
B) 25/100
C) 1/100
D) 1/10
3. Een verhouding van 1 : 10 betekent hetzelfde als:
A) 10%
B) 1%
C) 50%
D) 100%
4. Welke hoort NIET bij elkaar?
A) 1/4 – 25%
B) 1/5 – 20%
C) 1/10 – 10%
D) 1/3 – 30%
Antwoorden met korte uitleg
- A – 1/2 is hetzelfde als 50% en 1 op 2.
- B – 25% betekent 25 van de 100.
- A – 1 van de 10 = 10%.
- D – 1/3 is ongeveer 33%, geen 30%.