Leerdoel: Leerling uit groep 6 kan in alledaagse situaties eenvoudige wiskundetaal rondom procenten en verhoudingen herkennen, lezen en begrijpen (zoals %, “van”, “1 op de”).
Waarom leert een leerling dit bij procenten? Omdat het doel helpt om flexibel te denken en te schakelen tussen vormen. Het is belangrijk dat ze percentages niet los zien van breuken en verhoudingen en begrijpen dat verhoudingen dus op meerdere manieren weergegeven kunnen worden (waaronder percentages)
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Je hoeft hier nog niets uit te rekenen. Je leert vooral begrijpen wat rekentaal betekent.
Bijvoorbeeld:
- 25% betekent: 25 van de 100
- 1 op de 4 betekent: 1 van elke 4
- “de helft van” betekent: je verdeelt iets in 2 gelijke delen
👉 Het gaat dus om snappen wat er staat, niet om meteen rekenen.
Voorbeeldsom

Er zijn 10 blaadjes, 1 daarvan is blauw. Dat is:
1 van de 10
= 1/10
= 10%
Dus 10% van de blaadjes zijn blauw.
Oefenopdrachten
1. In een klas zitten 10 leerlingen. 1 leerling is jarig.
Hoeveel procent is dat?
A) 1%
B) 5%
C) 10%
D) 100%
2. Van de 100 appels zijn er 25 rot.
Hoeveel procent is rot?
A) 10%
B) 20%
C) 25%
D) 50%
3. In een Vikingdorp hebben 10 huizen een rieten dak.
2 huizen hebben een houten dak.
Hoeveel procent heeft een houten dak?
A) 2%
B) 10%
C) 20%
D) 50%
4. Van de 100 munten zijn er 10 van goud.
Hoeveel procent is goud?
A) 1%
B) 5%
C) 10%
D) 90%
Antwoorden met korte uitleg
- C – 10%
1 van de 10 = 1/10 = 10% - C – 25%
25 van de 100 = 25% - C – 20%
2 van de 10 = 2/10 = 20% - C – 10%
10 van de 100 = 10%