Leerdoel: De leerling uit groep 8 kan kritisch denken en redeneren over breuken als getallen in probleemsituaties.
Leerlingen:
- gebruiken breuken in echte situaties (recepten, metingen, geld);
- rekenen niet alleen uit, maar leggen uit waarom iets klopt;
- controleren of een uitkomst logisch is.
Het gaat om begrijpen én uitleggen.
Voorbeeldsom

2/3 van 180:
180 ÷ 3 = 60
60 × 2 = 120
3/4 van 150:
150 ÷ 4 = 37,5
37,5 × 3 = 112,5
Vergelijk: 120 is groter dan 112,5. Dus: 2/3 van 180 gram is meer.
Oefenvragen
1. Is 4/5 van 200 euro meer dan 3/4 van 240 euro?
A. Ja
B. Nee
C. Ze zijn gelijk
D. Dat kun je niet weten
2. Een recept vraagt 5/6 liter melk. Je hebt 3/4 liter. Heb je genoeg?
A. Ja
B. Nee
C. Precies genoeg
D. Dat weet je niet
3. Welke redenering klopt?
A. 7/8 van 80 is groter dan 3/4 van 100
B. 3/4 van 100 is groter dan 7/8 van 80
C. Ze zijn gelijk
D. Dat kun je niet vergelijken
Antwoorden (kort)
- 1 → B (160 < 180)
- 2 → B (0,75 < 0,83)
- 3 → B ( van 80 = 70 en van 100 = 75)