Leerdoel: de leerling uit groep 8 kan gelijkwaardige breuken bedenken (compliceren) in moeilijkere contexten
Leerlingen:
- maken gelijkwaardige breuken door teller en noemer met hetzelfde getal te vermenigvuldigen (compliceren),
- herkennen dat je ook kunt delen (vereenvoudigen),
- gebruiken dit bij optellen/aftrekken met verschillende noemers en bij verhoudingsvragen.
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Soms zien twee breuken er anders uit, maar betekenen ze precies hetzelfde. Bijvoorbeeld:
1/2 = 2/4 = 3/6 = 5/10
De stukjes worden kleiner, maar je krijgt er meer van. De waarde verandert niet. Omdat je teller én noemer met hetzelfde getal vermenigvuldigt. En eigenlijk vermenigvuldig je dan met 1.
Bijvoorbeeld:
2/2 = 1
3/3 = 1
Voorbeeldsom

A)
B)
C)
D)
Het antwoord is D, want:
1 × 2 = 2
3 × 2 = 6
De stukken veranderen maar de hoeveelheid zijde blijft hetzelfde.
Oefenvragen
1. Welke breuk is gelijkwaardig aan 3/4?
A. 6/10
B. 9/12
C. 12/20
D. 4/7
2. Maak 2/5 gelijkwaardig met noemer 25.
A. 4/25
B. 8/25
C. 10/25
D. 12/25
3. Waarom mag je teller en noemer met hetzelfde getal vermenigvuldigen?
A. Omdat je dan groter rekent
B. Omdat je dan deelt door 1
C. Omdat je eigenlijk vermenigvuldigt met 1
D. Omdat de noemer anders wordt
Antwoorden
- 1 → B → 3 × 3 = 9 en 4 × 3 = 12.
- 2 → C → 5 × 5 = 25, dus 2 × 5 = 10.
- 3 → C → Bijvoorbeeld 2/2 = 1, dus de waarde verandert niet.