Ga naar de inhoud

BG-13: Verschijningsvormen van breuken

Leerdoel: de leerling uit groep 8 weet dat een breuk verschillende verschijningsvormen heeft (als deel van een geheel, als resultaat van een meting, als resultaat van een (ver)deling, als rekengetal en als verhouding) en kan hiervan voorbeelden noemen.


Een breuk is niet alleen “een stukje taart”.

Een breuk kan verschillende dingen betekenen.

Je moet kunnen herkennen:

  1. Deel van een geheel; Je hebt een chocoladereep verdeeld in 4 gelijke stukken. Je eet 3 stukken.
  2. Resultaat van een meting; Een plank is 3/4 meter lang.
  3. Resultaat van een verdeling; Vier kinderen delen 3 pizza’s eerlijk.
  4. Rekengetal; Op de getallenlijn ligt 3/4 tussen 0 en 1.
  5. Verhouding; In een mengsel zit 3 liter water op 4 liter totaal.

De breuk verandert niet, maar de betekenis verandert door de situatie.

Kortom: deze zin zegt dat een leerling niet alleen een breuk kan lezen of opschrijven, maar ook moet begrijpen waarvoor je een breuk kunt gebruiken en wat het in een context betekent.

Voorbeeldsom

In de haven van Venetië rond 1500 mengt een koopman wijn voor de handel.
In een groot vat zit:
2 liter water
3 liter wijn

Oefenvragen

1. Welke breuk geeft het deel water van het totaal?

A. 2/3
B. 3/2
C. 2/5
D. 3/5


2. Wat betekent 2/3 in deze situatie?

A. Deel van het totaal
B. Verhouding water ten opzichte van wijn
C. Aantal liters totaal
D. Meting van het vat


3. Hoeveel procent van het vat is water?

A. 20%
B. 30%
C. 40%
D. 60%


Antwoorden met uitleg

  1. C → 2 van de 5 liter
  2. B → vergelijking water met wijn
  3. C → 2 ÷ 5 = 0,4 = 40%