Leerdoel: leerling uit groep 7 kan gelijkwaardige breuken compliceren.
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Soms zien twee breuken er anders uit,
maar betekenen ze precies hetzelfde.
Bijvoorbeeld:
1/2 = 2/4 = 3/6 = 5/10
Dat noem je gelijkwaardige breuken.
👉 Teller én noemer met hetzelfde getal te vermenigvuldigen.
Je maakt een breuk groter (zonder dat de waarde verandert) door:
Dat noem je compliceren.
Bijvoorbeeld:
1/3
× 2 → 2/6
× 3 → 3/9
× 4 → 4/12
Allemaal betekenen ze hetzelfde als 1/3.
Voorbeeldsom

2/3 wordt dan: 4/6
Want:
2 × 2 = 4
3 × 2 = 6
Maar de hoeveelheid goud blijft gelijk.
Oefenvragen
1. Welke breuk is gelijkwaardig aan 1/4?
A. 2/6
B. 2/8
C. 3/8
D. 4/12
2. Maak 2/7 gelijkwaardig met noemer 21.
A. 4/21
B. 6/21
C. 8/21
D. 14/21
3. Welke klopt?
A. 3/5 = 6/8
B. 3/5 = 9/15
C. 3/5 = 12/25
D. 3/5 = 3/10
Antwoorden met uitleg
- B → 1 × 2 = 2 en 4 × 2 = 8
- B → 7 × 3 = 21, dus 2 × 3 = 6
- B → teller en noemer × 3