Ga naar de inhoud

BG-11: Gelijkwaardige breuken bedenken 

Leerdoel: leerling uit groep 7 kan gelijkwaardige breuken compliceren. 


Wat betekent dit nou eigenlijk?

Soms zien twee breuken er anders uit,
maar betekenen ze precies hetzelfde.

Bijvoorbeeld:

1/2 = 2/4 = 3/6 = 5/10

Dat noem je gelijkwaardige breuken.

👉 Teller én noemer met hetzelfde getal te vermenigvuldigen.

Je maakt een breuk groter (zonder dat de waarde verandert) door:

Dat noem je compliceren.

Bijvoorbeeld:

1/3

× 2 → 2/6
× 3 → 3/9
× 4 → 4/12

Allemaal betekenen ze hetzelfde als 1/3.

Voorbeeldsom

2/3 wordt dan: 4/6

Want:

2 × 2 = 4
3 × 2 = 6

Maar de hoeveelheid goud blijft gelijk.

Oefenvragen

1. Welke breuk is gelijkwaardig aan 1/4?

A. 2/6
B. 2/8
C. 3/8
D. 4/12


2. Maak 2/7 gelijkwaardig met noemer 21.

A. 4/21
B. 6/21
C. 8/21
D. 14/21


3. Welke klopt?

A. 3/5 = 6/8
B. 3/5 = 9/15
C. 3/5 = 12/25
D. 3/5 = 3/10


Antwoorden met uitleg

  1. B → 1 × 2 = 2 en 4 × 2 = 8
  2. B → 7 × 3 = 21, dus 2 × 3 = 6
  3. B → teller en noemer × 3