Leerdoel: de leerling uit groep 7 begrijpt de relatie tussen breuken en decimale getallen en kan veel voorkomende breuken en decimale getallen in elkaar omzetten.
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Een breuk en een decimaal getal betekenen vaak hetzelfde, maar worden anders geschreven.
Bijvoorbeeld:
1/2 = 0,5
1/4 = 0,25
1/5 = 0,2
Een breuk is eigenlijk een deling.
1/5 betekent:
1 ÷ 5
En dat is 0,2.
Dus:
Een breuk kun je uitrekenen.
Een decimaal kun je terugschrijven als breuk.
Het zijn twee manieren om hetzelfde getal te laten zien.
Neem bijvoorbeeld 1/4.
Als je een euro in 4 gelijke stukken verdeelt:
€1 ÷ 4 = €0,25
Dus 1/4 = 0,25.
Voorbeeldsom

2 / 4 is 2 gedeeld door 4. = 0,5
Zonder rekenen:
2/4 is de heflt.
Een heel is 1,0.
De helft is 0,5.
Oefenvragen
1. Wat is 1/4 als decimaal?
A. 0,4
B. 0,25
C. 0,75
D. 0,2
2. Wat is 0,5 als breuk?
A. 1/2
B. 1/5
C. 5/10
D. 2/5
3. Wat is 2/5 als decimaal?
A. 0,2
B. 0,4
C. 0,25
D. 0,8
Antwoorden met uitleg
- B → 1 ÷ 4 = 0,25
- A en C → 0,5 = 5/10 = 1/2
- B → 2 ÷ 5 = 0,4