Leerdoel: de leerling uit groep 6 kan kritisch denken en redeneren over breuken als getallen in probleemsituaties.
Wat betekent het eigenlijk?
Bij breuken gaat het niet alleen om uitrekenen. Je moet ook kunnen nadenken:
- Wat betekent deze breuk eigenlijk?
- Is dit logisch?
- Kan dit groter of kleiner?
- Bestaat er zoiets als “de kleinste breuk”?
Een breuk is gewoon een getal.
En met getallen kun je vergelijken, nadenken en redeneren.
Belangrijk inzicht:
Er bestaat géén “allerkleinste breuk”. -> Waarom niet?
Omdat je altijd nóg kleiner kunt gaan.
Bijvoorbeeld:
1/2 → 1/3 → 1/4 → 1/100 → 1/1000
Je kunt altijd verder delen.
Voorbeeldsom

Twee klanten krijgen een stuk:
Klant A krijgt 1/2
Klant B krijgt 1/3
Wie krijgt minder?
Als je één kaas in 2 stukken verdeelt, zijn de stukken groot.
Als je dezelfde kaas in 3 stukken verdeelt, zijn de stukken kleiner.
Dus:
1/3 is kleiner dan 1/2.
Niet omdat 3 groter is dan 2,
maar omdat meer delen = kleinere stukken.
Oefenvragen
1. Welke breuk is kleiner?
A. 1/6
B. 1/4
C. Ze zijn even groot
D. Dat kun je niet weten
2. Bestaat er een kleinste breuk?
A. Ja, dat is 1/100
B. Ja, dat is 0
C. Nee.
D. Ja, dat is 1/1
3. Welke redenering klopt?
A. 1/8 is groter dan 1/6.
B. 1/8 is kleiner dan 1/6.
C. Ze zijn even groot.
D. Dat kun je niet vergelijken.
Antwoorden met uitleg
A → hoe groter de noemer bij teller 1, hoe kleiner de breuk
C → je kunt altijd verder delen
B → meer stukken betekent kleinere delen