Ga naar de inhoud

BG-07: Redeneren met breuken in context gr. 6

Leerdoel: de leerling uit groep 6 kan kritisch denken en redeneren over breuken als getallen in probleemsituaties.


Wat betekent het eigenlijk?

Bij breuken gaat het niet alleen om uitrekenen. Je moet ook kunnen nadenken:

  • Wat betekent deze breuk eigenlijk?
  • Is dit logisch?
  • Kan dit groter of kleiner?
  • Bestaat er zoiets als “de kleinste breuk”?

Een breuk is gewoon een getal.
En met getallen kun je vergelijken, nadenken en redeneren.

Belangrijk inzicht:
Er bestaat géén “allerkleinste breuk”. -> Waarom niet?
Omdat je altijd nóg kleiner kunt gaan.

Bijvoorbeeld:

1/2 → 1/3 → 1/4 → 1/100 → 1/1000

Je kunt altijd verder delen.

Voorbeeldsom

Op een markt in het Romeinse Rijk wordt een ronde kaas verkocht.
Twee klanten krijgen een stuk:
Klant A krijgt 1/2
Klant B krijgt 1/3
Wie krijgt minder?

Als je één kaas in 2 stukken verdeelt, zijn de stukken groot.
Als je dezelfde kaas in 3 stukken verdeelt, zijn de stukken kleiner.

Dus:

1/3 is kleiner dan 1/2.

Niet omdat 3 groter is dan 2,
maar omdat meer delen = kleinere stukken.

Oefenvragen

1. Welke breuk is kleiner?

A. 1/6
B. 1/4
C. Ze zijn even groot
D. Dat kun je niet weten


2. Bestaat er een kleinste breuk?

A. Ja, dat is 1/100
B. Ja, dat is 0
C. Nee.
D. Ja, dat is 1/1


3. Welke redenering klopt?

A. 1/8 is groter dan 1/6.
B. 1/8 is kleiner dan 1/6.
C. Ze zijn even groot.
D. Dat kun je niet vergelijken.


Antwoorden met uitleg

A → hoe groter de noemer bij teller 1, hoe kleiner de breuk
C → je kunt altijd verder delen
B → meer stukken betekent kleinere delen