Leerdoel: Leerling uit groep 6 begrijpt de relatie tussen stambreuken, niet-stambreuken en samengestelde breuken met dezelfde noemer.
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Een breuk heeft een noemer (onder) en een teller (boven).
Als de noemer hetzelfde blijft, dan praten we steeds over even grote stukjes.
Er zijn drie soorten breuken:
- Stambreuk → teller is 1
Bijvoorbeeld: 1/4
Dat is één stukje van vier gelijke stukken. - Niet-stambreuk → teller is groter dan 1
Bijvoorbeeld: 3/4
Dat zijn drie stukjes van vier gelijke stukken. - Samengestelde breuk (gemengd getal) → hele getallen + een breuk
Bijvoorbeeld: 1 3/4
Dat is één hele en drie van de vier stukjes.
Belangrijk:
Als de noemer gelijk blijft (bijvoorbeeld steeds 4), dan gaat het steeds om stukjes van dezelfde grootte. Alleen het aantal stukjes verandert.
Voorbeeldsom

Tijdens de Chinese dynastie zijn er gouden staven met draken motief. Een heer verdeelt elke goudstaaf in 5 gelijke stukken.
Schrijf de breuk bij elke tekst:
- één stuk -> 1/5
- vier stukken -> 4/5
- één hele goudstaaf -> 5/5
- twee hele goudstaven en nog drie stukjes -> 2 en 3/5
De noemer blijft 5.
Dus elk stukje is even groot.
Oefenvragen
1. Welke breuk is een stambreuk?
A. 1/6
B. 3/6
C. 6/6
D. 2 1/6
2. Wat is 9/5 als samengestelde breuk?
A. 1 4/5
B. 2 4/5
C. 1 5/9
D. 9 1/5
3. Wat is het verschil tussen 1/8 en 5/8?
A. De stukjes zijn verschillend groot
B. De noemer is anders
C. Het aantal stukjes is anders
D. Het is geen breuk
4. Wanneer wordt een breuk groter dan 1?
A. Als de teller kleiner is dan de noemer
B. Als de teller gelijk is aan de noemer
C. Als de teller groter is dan de noemer
D. Nooit
Antwoorden
A-A-C-C