Leerdoel: Leerling van groep 6 begrijpt hoe breuken gebruikt kunnen worden als maatverfijning in meetsituaties en kan het resultaat uitdrukken in een samengestelde breuk (bv.: Bij het meten met stroken: Jip is net iets meer dan 2 stroken lang, hij is precies 2 1⁄4 strook lang)
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Soms meet je iets en kom je niet precies uit op een heel getal.
Bijvoorbeeld:
Iemand is langer dan 2 stroken, maar nog geen 3 stroken.
Dan zeg je niet alleen “2”, maar je kijkt:
Hoeveel van de volgende strook komt erbij?
Als dat een kwart is, schrijf je:
2 1⁄4
Dat noem je een samengestelde breuk (of gemengd getal).
Dat betekent:
- 2 hele stroken
- en nog 1 van de 4 gelijke delen van een strook
Dus eigenlijk:
2 + 1/4
Breuken helpen je dus precies meten, ook als iets nét iets groter of kleiner is dan een heel getal.
Voorbeeldsom

Dat schrijf je als:
3 1⁄2
Wat betekent dit?
- 3 hele touwstukken
- en nog 1 van de 2 gelijke delen
Dus: 3 en een halve lengte.