Ga naar de inhoud

BG-03: Breuken gebruiken als maatverfijning

Leerdoel: Leerling van groep 6 begrijpt hoe breuken gebruikt kunnen worden als maatverfijning in meetsituaties en kan het resultaat uitdrukken in een samengestelde breuk (bv.: Bij het meten met stroken: Jip is net iets meer dan 2 stroken lang, hij is precies 2 1⁄4 strook lang)


Wat betekent dit nou eigenlijk?

Soms meet je iets en kom je niet precies uit op een heel getal.

Bijvoorbeeld:
Iemand is langer dan 2 stroken, maar nog geen 3 stroken.

Dan zeg je niet alleen “2”, maar je kijkt:
Hoeveel van de volgende strook komt erbij?

Als dat een kwart is, schrijf je:

2 1⁄4

Dat noem je een samengestelde breuk (of gemengd getal).

Dat betekent:

  • 2 hele stroken
  • en nog 1 van de 4 gelijke delen van een strook

Dus eigenlijk:
2 + 1/4

Breuken helpen je dus precies meten, ook als iets nét iets groter of kleiner is dan een heel getal.

Voorbeeldsom

In het oude Oude Egypte gebruikten arbeiders touwen met knopen om lengtes te meten. Een steenblok is langer dan 3 touwstukken. Ze meten precies: 3 hele stukken en nog een half stuk.

Dat schrijf je als:

3 1⁄2

Wat betekent dit?

  • 3 hele touwstukken
  • en nog 1 van de 2 gelijke delen

Dus: 3 en een halve lengte.