Leerdoel: Student uit groep 6 kan verwoorden wat de teller en de noemer weergeven in contexten met breuken.
Groep: 6
Niveau: 1F (basisinzicht in de bouwstenen van breuken).
Uitleg in gewone taal
Leerlingen leren begrijpen wat de teller en de noemer betekenen.
De noemer (onderste getal) zegt in hoeveel gelijke stukken het geheel is verdeeld.
De teller (bovenste getal) zegt hoeveel van die stukken je neemt.
Voorbeeld in context: Je hebt een pizza verdeeld in 8 stukken. Je eet er 3.
Noemer = 8 (in hoeveel stukken verdeeld).
Teller = 3 (hoeveel stukken genomen).
Dit helpt leerlingen om breuken niet alleen te noteren, maar ook te begrijpen als deel van een geheel.
Voorbeeldsom

Dat schrijf je als:
Wat betekent dit?
- 2 (teller) → er zijn 2 stukken opgegeten.
- 4 (noemer) → het brood is in 4 gelijke stukken verdeeld.
Dus: 2 van de 4 stukken zijn op.