Leerdoel: leerling uit groep 8 kan een geheel getal vermenigvuldigen met een breuk en omgekeerd.
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Als je een geheel getal met een breuk vermenigvuldigt, neem je een deel van dat getal. Je verdeelt eigenlijk het getal door de noemer (= uit hoeveel delen bestaat een geheel) en dan keer de teller (= hoeveel delen heb ik)
Voorbeeldsom

× 20 = ?
20 / 4 = 5. (Nu weet je dat elke kwart gelijk is aan 5)
3 x 5 = 15 ( Je hebt 3 delen en één deel was 5)
x 20 = 15
Oefenvragen
1. 4/5 × 50 = ?
A. 30
B. 35
C. 40
D. 45
2. 7 × 3/4 = ?
A. 5 1/4
B. 5 1/2
C. 6 1/4
D. 6 3/4
3. Welke uitspraak klopt?
A. 8 × 3/2 is kleiner dan 8
B. 8 × 3/2 is groter dan 8
C. 8 × 3/2 is altijd 8
D. Dat kun je niet weten
Antwoorden (kort)
- 1 → C → 50 ÷ 5 = 10 → 10 × 4 = 40
- 2 → A → 7 × 3/4 = 21/4 = 5 1/4
- 3 → B → 3/2 is groter dan 1, dus het antwoord wordt groter