Ga naar de inhoud

BB-05: Rekenen met breuk als operator.

Leerdoel: leerling uit groep 7 kan rekenen met veel voorkomende breuken als operator en weet dat het voor het antwoord niet uitmaakt of je de breuk interpreteert als ‘keer’ of ‘deel nemen van’.


Wat betekent dit nou eigenlijk?

Een breuk als operator betekent: Neem dit deel van een hoeveelheid.

Dus:

4/5 van 350 betekent: neem vier vijfde van 350.

Je kunt dat op drie manieren opschrijven:

  • 4/5 van 350
  • 4/5 × 350
  • 350 × 4/5

En het antwoord is steeds hetzelfde.

Voorbeeldsom

Een generaal van Genghis Khan verdeeld 4/5 van 350 veedieren. Hoeveel is dat?

350 verdelen in stukken (delen door de noemer) en keer het aantal dat je wil weten (de teller) geeft het antwoord. 4/5 × 350 = 350 / 5 = 70 x 4 = 280

Oefenvragen

1. 3/4 van 200 = ?

A. 120
B. 150
C. 160
D. 180


2. 2/3 × 90 = ?

A. 30
B. 45
C. 60
D. 75


3. Welke uitspraak klopt?

A. 5/6 van 120 is iets anders dan 120 × 5/6
B. 120 × 5/6 is groter dan 5/6 van 120
C. Het maakt niet uit hoe je het opschrijft
D. Alleen “van” is juist


Antwoorden (kort)

  • 1 → B → 200 ÷ 4 = 50 → 50 × 3 = 150
  • 2 → C → 90 ÷ 3 = 30 → 30 × 2 = 60
  • 3 → C → het is dezelfde vermenigvuldiging