Ga naar de inhoud

BB-04: Ongelijknamige breuken vergelijken.

Leerdoel: de leerling uit groep 7 kan veel voorkomende ongelijknamige breuken vergelijken en het verschil bepalen.

Wat betekent dit nou eigenlijk?

Ongelijknamige breuken hebben een verschillende noemer. Bijvoorbeeld: 1/2 en 3/4

De stukjes zijn niet even groot. Dus je kunt niet meteen de tellers vergelijken.

Wat kun je doen?

  1. De breuken gelijknamig maken
    of
  2. Omrekenen naar decimalen
    of
  3. Logisch redeneren (als het eenvoudige breuken zijn).

Daarna kun je bepalen:

  • Welke breuk is groter?
  • Hoeveel groter is die?

Voorbeeldsom

Een Viking verkoopt: 23\frac{2}{3} van zijn vangst aan dorp Antalek en 35\frac{3}{5} aan dorp Borduv. Welke is meer?

Maak de noemers gelijk -> beide noemers kunnen 15 worden gemaakt door te vermenigvuldigen.

2/3 = 10/15
3/5 = 9/15

Dus:

2/3 is groter.

Oefenvragen

1. Welke breuk is groter?

1/3 of 2/5

A. 1/3
B. 2/5
C. Ze zijn even groot
D. Dat kun je niet weten


2. Wat is het verschil tussen 3/4 en 2/3?

A. 1/12
B. 1/6
C. 1/4
D. 1/3


3. Welke is groter?

5/6 of 4/5

A. 5/6
B. 4/5
C. Ze zijn even groot
D. Dat kun je niet vergelijken


Antwoorden (kort)

  • 1 → B → 1/3 = 5/15 en 2/5 = 6/15
  • 2 → A → 3/4 = 9/12 en 2/3 = 8/12 → verschil 1/12
  • 3 → A → 5/6 = 25/30 en 4/5 = 24/30