Leerdoel: student uit groep 7 kan gelijknamige breuken optellen en aftrekken in contextsituaties en in formele rekentaal. De leerling kan hierbij indien nodig ook ‘de helen eruit halen.
Kan gelijknamige breuken optellen en aftrekken in contextsituaties en in formele rekentaal. De leerling kan hierbij indien nodig ook “de helen eruit halen”
Niveau:1F (basis), met uitbreiding naar 1S (als ook grotere getallen of samengestelde breuken aan bod komen).
Wat betekent het eigenlijk?
Leerlingen leren breuken bij elkaar op te tellen en van elkaar af te trekken, maar alleen als de noemers gelijk zijn (gelijknamig).
- Bijvoorbeeld: 2/7 + 6/7 = 8/7.
- Omdat 8/7 groter is dan 1, halen ze er een heel uit: 8/7 = 1 1/7
Dit leerdoel legt de basis voor het rekenen met niet-gelijknamige breuken (groep 8, 1S).
Voorbeeldsom

Oefenvragen
1. 5/9 + 2/9 = ?
A. 7/9
B. 7/18
C. 3/9
D. 6/9
2. 8/7 − 3/7 = ?
A. 5/7
B. 11/7
C. 5/14
D. 1/7
3. 9/8 + 5/8 = ?
A. 14/8
B. 1 6/8
C. 1 3/4
D. 2 6/8
Antwoorden (kort)
- 1 → A → 5 + 2 = 7
- 2 → A → 8 − 3 = 5
- 3 → C → 14/8 = 1 6/8 = 1 3/4