Leerdoel: de leerling uit groep 6 kan rekenen met de breuk als operator in informele contextsituaties.
Een operator betekent in rekenen: “doe dit deel van iets.” Dus als je een breuk als operator gebruikt, dan bepaalt de breuk welk stukje van een hoeveelheid je neemt. In groep zes wordt er nog alleen gebruik gemaakt van de simpele breuken.
- Voorbeeld 1: ½ van 20 → je neemt de helft → 10.
- Voorbeeld 2: ⅓ van 90 → je neemt een derde deel → 30.
- Voorbeeld 3: ¾ van 120 liter → je neemt drie kwart → 90 liter.
Wat betekent dit nou eigenlijk
Leerlingen leren dat je een breuk kunt gebruiken als een soort “doe dit deel van”.
Denk aan ½ van 10, ¼ van 20, ⅕ van 60. Dit zijn hele getallen die mooi deelbaar zijn.
Dit is belangrijk, omdat kinderen zo ontdekken dat breuken niet alleen een stuk van een taart zijn, maar ook een rekeninstrument om hoeveelheden te berekenen. Dit vormt de basis voor later werken met procenten en verhoudingen.
Voorbeeldsom

- 1/3 betekent: verdeel in 3 gelijke groepen.
- 24 ÷ 3 = 8
- Dus: 1/3 van 24 = 8 appels.
Oefenvragen
1. 1/4 van 36 = ?
A. 6
B. 8
C. 9
D. 12
2. 1/5 van 25 = ?
A. 10
B. 15
C. 20
D. 5
3. Een kruik bevat 40 liter water.
Je gebruikt 1/2.
Hoeveel liter gebruik je?
A. 10
B. 20
C. 30
D. 40
Antwoorden (kort)
- 1 → C → 36 ÷ 4 = 9
- 2 → D → 25 ÷ 5 = 5
- 3 → B → helft van 40 = 20