Leerdoel: de leerling uit groep 8 kan rekenen met procenten waarbij schatten en het analyseren van antwoorden de werkwijze is (bijvoorbeeld door onmogelijke antwoorden af te strepen).
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Soms hoef je niet meteen precies te rekenen.
Je kunt eerst nadenken:
- Is de korting ongeveer een derde?
- Moet het antwoord ongeveer de helft zijn?
- Kan dit antwoord überhaupt kloppen?
Je gebruikt je verstand om eerst antwoorden af te strepen. Daarna reken je eventueel precies uit. Dit heet: redeneren en controleren.
Voorbeeldsom

Een kaartje kostte 6,40 shilling.
Door een jubileumactie kregen reizigers 34,5% korting.
Vraag
Wat betaalden reizigers per kaartje?
A) 5,25 shilling
B) 4,19 shilling
C) 3,15 shilling
D) 6,80 shilling
uitleg
34,5% ≈ 1/3
6,40 ≈ 6,30 (een getal makkelijk te delen door 3)
Een derde van 6,30 is:
6,30 ÷ 3 = 2,10
Dus de korting is ongeveer 2,10.
Nieuwe prijs ongeveer:
6,40 − 2,10 ≈ 4,30.
Het antwoord moet dus rond de 4,20 à 4,30 liggen.
3,15 is te laag.
5,25 is te hoog.
6,80 is hoger dan originele prijs, wat niet kan bij korting.
Het is dus B
Oefensommen
1. De haven van Hamburg (1902)
Een kaartje voor een rondvaart kostte 9,80 mark.
Op de slotdag kregen bezoekers 41% korting.
Wat was de korting per kaartje?
A) 4,88 mark
B) 4,02 mark
C) 3,20 mark
D) 5,87 mark
2. Wereldtentoonstelling in Brussel (1910)
Een toegangskaart kostte 7,05 frank.
Bezoekers betaalde slechts 8% korting.
Wat betaalden zij?
A) 1,04 frank
B) 0,95 frank
C) 0,56 frank
D) 0,08 frank
3. Stoomboot in New York (1895)
Een overtocht kostte 12,49 dollar.
Door een actie betaalde reizigers 91%.
Wat betaalden zij?
A) 9,64 dollar
B) 10,99 dollar
C) 11,39 dollar
D) 12,74 dollar
Antwoorden
- B. -> Dit is ongeveer 40% van 10 -> antwoord is in de buurt van 4.
- C. -> Dit is ongeveer 10% van 7 -> antwoord is in de buurt van 0,70
- C. -> Dit is ongeveer 90% van 12,50 -> antwoord is in de buurt van 11,25