Leerdoel: de leerling uit groep 8 kan een telling verwoorden en noteren als verhouding
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Soms tel je iets. Bijvoorbeeld: 6 van de 24 leerlingen dragen een bril. Maar in wiskunde kun je dat op verschillende manieren zeggen:
- zes van de vierentwintig
- 6 op 24
- 6/24
- een vierde deel
- een kwart
- 25%
Het gaat hier niet om moeilijk rekenen. Het gaat om de juiste woorden gebruiken. Je moet herkennen dat deze zinnen soms hetzelfde betekenen, maar anders worden gezegd of geschreven.
Voorbeeldsom

- 8 van de 32
- 8/32
- 1 op de 4 (vereenvoudigen)
- een kwart
- 25%
Antwoord: al deze manieren zeggen hetzelfde.
Oefenvragen
1.
Welke uitspraken betekenen hetzelfde?
A) 1 op de 5 – een vijfde – 20%
B) 1 op de 5 – 5% – een vijfde
C) 1 op de 5 – 50% – een halve
D) 1 op de 5 – 25% – een kwart
2.
Een leerling zegt:
“Zes van de vierentwintig is hetzelfde als een kwart.”
Wat vind je?
A) Dat klopt.
B) Dat klopt niet.
C) Dat klopt alleen bij geld.
D) Dat kun je niet weten.
3.
Welke zin hoort bij 25%?
A) Een op de drie
B) Een kwart
C) Een halve
D) Een vijfde
4.
Wat betekent: “een vierde deel”?
A) 1 op 3
B) 1 op 4
C) 4 op 1
D) 1 op 5
5.
Welke schrijfwijzen betekenen hetzelfde?
A) 3/10 – 30% – drie op de tien
B) 3/10 – 3% – drie op de honderd
C) 3/10 – 13% – drie op de dertien
D) 3/10 – 300% – drie op één
Antwoorden met korte uitleg
- A – 1 op 5 = 1/5 = 20%.
- A – 6/24 is hetzelfde als 1/4.
- B – 25% is een kwart.
- B – Een vierde deel is 1 op 4.
- A – 3/10 betekent 30% en drie op de tien.