Leerdoel: de leerling uit groep 7 kan veel voorkomende ongelijknamige breuken vergelijken en het verschil bepalen.
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Ongelijknamige breuken hebben een verschillende noemer. Bijvoorbeeld: 1/2 en 3/4
De stukjes zijn niet even groot. Dus je kunt niet meteen de tellers vergelijken.
Wat kun je doen?
- De breuken gelijknamig maken
of - Omrekenen naar decimalen
of - Logisch redeneren (als het eenvoudige breuken zijn).
Daarna kun je bepalen:
- Welke breuk is groter?
- Hoeveel groter is die?
Voorbeeldsom

Maak de noemers gelijk -> beide noemers kunnen 15 worden gemaakt door te vermenigvuldigen.
2/3 = 10/15
3/5 = 9/15
Dus:
2/3 is groter.
Oefenvragen
1. Welke breuk is groter?
1/3 of 2/5
A. 1/3
B. 2/5
C. Ze zijn even groot
D. Dat kun je niet weten
2. Wat is het verschil tussen 3/4 en 2/3?
A. 1/12
B. 1/6
C. 1/4
D. 1/3
3. Welke is groter?
5/6 of 4/5
A. 5/6
B. 4/5
C. Ze zijn even groot
D. Dat kun je niet vergelijken
Antwoorden (kort)
- 1 → B → 1/3 = 5/15 en 2/5 = 6/15
- 2 → A → 3/4 = 9/12 en 2/3 = 8/12 → verschil 1/12
- 3 → A → 5/6 = 25/30 en 4/5 = 24/30