Leerdoel: de leerling uit groep 6 kan breuken aanvullen tot 1, in contextsituaties en in formele sommentaal
Wat betekent dit nou eigenlijk?
Leerlingen leren dat een breuk een deel is van een geheel en oefenen om te zien wat er nog ontbreekt tot het hele getal 1.
- In een context: “Er zit 3/10 liter in de fles, hoeveel kan er nog bij tot 1 liter?” → antwoord: 7/10.
- In somtaal: 2/7 + … = 1
Dit is belangrijk, omdat kinderen zo het verband snappen tussen breuken en een geheel. Het is een eerste stap om later met optellen, aftrekken en vermenigvuldigen van breuken aan de slag te gaan.
Voorbeeldsom

4/4 − 3/4 = 1/4.
Oefenvragen
1. 7/10 + … = 1
A. 2/10
B. 3/10
C. 4/10
D. 1/10
2. Een kruik is voor 2/5 gevuld.
Hoeveel moet er nog bij om de kruik helemaal te vullen?
A. 1/5
B. 2/5
C. 3/5
D. 4/5
3. 9/12 + … = 1
A. 2/12
B. 3/12
C. 4/12
D. 5/12
Antwoorden (kort)
- 1 → B → 10/10 − 7/10 = 3/10
- 2 → C → 5/5 − 2/5 = 3/5
- 3 → B → 12/12 − 9/12 = 3/12