Ga naar de inhoud

BG-17: Redeneren met breuken in context gr. 8

Leerdoel: De leerling uit groep 8 kan kritisch denken en redeneren over breuken als getallen in probleemsituaties.

Leerlingen:

  • gebruiken breuken in echte situaties (recepten, metingen, geld);
  • rekenen niet alleen uit, maar leggen uit waarom iets klopt;
  • controleren of een uitkomst logisch is.

Het gaat om begrijpen én uitleggen.


Voorbeeldsom

Een bakker maakt twee soorten deeg. Voor deeg A gebruikt hij 2/3 van 180 gram bloem. Voor deeg B gebruikt hij 3/4 van 150 gram bloem. Leg uit: Is 2/3 van 180 gram meer dan 3/4 van 150 gram?

2/3 van 180:
180 ÷ 3 = 60
60 × 2 = 120

3/4 van 150:
150 ÷ 4 = 37,5
37,5 × 3 = 112,5

Vergelijk: 120 is groter dan 112,5. Dus: 2/3 van 180 gram is meer.

Oefenvragen

1. Is 4/5 van 200 euro meer dan 3/4 van 240 euro?

A. Ja
B. Nee
C. Ze zijn gelijk
D. Dat kun je niet weten


2. Een recept vraagt 5/6 liter melk. Je hebt 3/4 liter. Heb je genoeg?

A. Ja
B. Nee
C. Precies genoeg
D. Dat weet je niet


3. Welke redenering klopt?

A. 7/8 van 80 is groter dan 3/4 van 100
B. 3/4 van 100 is groter dan 7/8 van 80
C. Ze zijn gelijk
D. Dat kun je niet vergelijken


Antwoorden (kort)

  • 1 → B (160 < 180)
  • 2 → B (0,75 < 0,83)
  • 3 → B ( 78\frac{7}{8} van 80 = 70 en 34\frac{3}{4} van 100 = 75)